|
Depressiehoop
Er
was een tijd dat mijn Schim en mijn Schaduw samen in vrede leefde. Dat was
een prettige tijd want er heerste harmonie in mijn leven. Mijn mentale huis
was opgeruimd; al mijn gedachten geordend en mijn emoties verwerkt.
Langzaam
veranderde er iets. Voorgedreven door de haastige en stressvolle
maatschappij raken mijn Schim en mijn Schaduw steeds verder bij elkaar
vandaan.
Schim holt voort op de snelweg van het leven en Schaduw probeert haar bij
te houden. Snel rent Schim, geen tijd, geen tijd om stil te staan, geen
tijd om op Schaduw te wachten. Geen tijd om ons huis op te ruimen, laat
maar liggen, dat komt nog wel.
De
emoties hopen zich op, de boosheid, het verdriet, de wrok en de
angst. Nee geen tijd, snel, sneller holt Schim. Ook de liefde en de warmte
worden achtergelaten en Schim rent maar door. Schaduw kan het niet meer
bijhouden. Twijfelend, aarzelend en bang sloft Schaduw door. De angst zit
als een wurgslang om haar hals en alles benauwt haar steeds meer. Schaduw
wordt moe… doodmoe. Het elastiek dat mijn Schim en mijn Schaduw
verbindt staat strak gespannen en wordt tot het uiterste uitgerekt. Schaduw
roept: ‘ wacht nou even Schim, we moeten nodig opruimen’. Schim
blijft maar doorhollen en luistert niet naar Schaduw die nog naroept dat ze
doodmoe is en dat het huis vervuild. Schim rent en rent tot op een
dag… PANGGGG…het elastieken koord knapt. En zo raken Schim en
Schaduw elkaar kwijt.
Zo
dolen ze rond in hun huis. Schim holt voortdurend door de kamers heen en
weer. Haar gedachten draaien op volle toeren. Hoe heeft dit kunnen
gebeuren, wat kan ze er nu aan doen, waar ligt het toch aan? Maar ze blijft
maar doorrennen, in plaats van stil te staan. Stil te houden, stil te zijn
en te luisteren.
Schaduw daarentegen is weggekropen in een ver hoekje van de kelder. Ze zit
met haar hoofd tussen haar knieën, gewikkeld in de wurgende angst. Ze weet
het niet meer. Ze deugt nergens voor, ze heeft alles verprutst. Ze heeft
Schim niet eens bij kunnen houden en nu heeft ze niemand meer. Schaduw zit
goed in de put.
Op
een goede dag terwijl Schim ronddoolt in het huis op zoek naar
Schaduw, valt het haar op wat een rotzooi het eigenlijk is. Overal liggen
stapels ongelezen emoties. In de hoeken van de kamers ligt de woede
opgehoopt en het bad loopt over van verdriet. De liefde zit bang verscholen
onder het bed tussen de stofwolken en de warmte staat buiten tegen de muur
te bibberen. Kwaadheid hangt aan de balken en wrok heeft zich stevig
verschanst in de kast. Schim schrikt enorm als ze ziet wat er allemaal is
blijven liggen. Ze geeft zichzelf een flinke schop en gaat aan de slag.
Eerst
bladert ze stapels ongelezen emoties door, ze kauwt erop en legt ze daarna
bij het oud papier. Dan haalt ze wrok uit de kast, doet de voordeur open en
laat wrok los. Dan trekt ze kwaadheid van de balken en gooit alles het raam
uit. Ze veegt de woede uit alle hoeken bij elkaar, stopt ze in
vuilniszakken en zet de zakken aan de straat. Zo dat is dat.
Dan
gaat ze in het bad van verdriet liggen en laat toe dat ze alle verdriet ook
echt voelt. Ze huilt tot ze geen tranen meer heeft en wast zich schoon. Ze
trekt de stop uit het bad en laat het verdriet door het afvoerputje
weglopen.
Vlug
haalt ze warmte, die buiten stond te bibberen, naar binnen en samen gaan ze
op zoek naar Schaduw. Ze kammen het hele huis uit en ruimen kamer na kamer
op. Vrolijk poetsen ze alles tot het leven weer glanst.
Eindelijk
vinden ze Schaduw in haar hoekje in de kelder. Samen met warmte bevrijdt ze
Schaduw uit haar wurgende angst. Schim tilt Schaduw op, knuffelt en troost
haar en brengt haar naar bed. Eerst maar eens lekker uitrusten. Schim is
zelf ook moe van de mentale schoonmaak en kruipt naast Schaduw in bed.
Warmte dekt hen toe. Even later komt niezend en proestend de liefde onder
het bed vandaan kruipen. Ze kijkt blij neer op die slapende twee en stopt
ze liefdevol in.
|