|
MIJN
WEG NAAR ESPINOSA.
Het
verhaal begint met een droom zo levensecht en raadselachtig. De hoofdpersoon
ontdekt het bestaan van een vorig leven van haarzelf en haar partner.
Door middel van de pendel komen steeds meer brokjes informatie boven water.
Sceptisch en nieuwsgierig begint de ontdekkingsreis naar bewijzen voor dit
merkwaardige verhaal over twee vrouwen, een Finse en een Duitse die samen
leefden in het Salzburgerland. Na het overlijden van de Finse Nolen Ulmen
vlucht Ludwina von Klingen naar het Spaanse Espinosa de los Monteres en
leeft verder onder de naam van haar overleden partner. Waarom?
1
Droom
Ik
word wakker met de droom nog helder op mijn netvlies. Ik heb nog nooit
zo’n helder en duidelijk gedroomd. Ik pak het schrift, waarin ik mijn
meestal saaie, dromen beschrijf. Ik begin steekwoorden te krabbelen van het
merkwaardige verhaal dat ik vannacht beleefde. Ik voel het doosje nog in
mijn handen, de muffe geur van het huis hangt in mijn neusgaten. Het
viooltjesparfum van de vrouw die mij tegen haar boezem drukte plakt aan
mijn huid.
Ik
voel dat ik hier bekend ben, een warm en theatraal thuisgevoel overspoelt
me. Ik kom aan in een dorps stadje; een bord zegt Espinosa de los Monteros.
Ik kijk om me heen en ervaar het gevoel van teleurstelling in mijn buik.
Een grauwe en drukte; er is veel verkeer om me heen. Het is vuil en het
stinkt. Ik ben niet alleen. Sandra, mijn Spaans ogende en Spaanssprekende
dochter is bij me. We staan hand in hand in de drukke straat en hebben geen
idee waar we moeten beginnen. We dwalen doelloos in cirkels om de kerk. We
komen op een kerkhof, maar er is geen beginnen aan, alle grafstenen
ontwijken ons. Er zijn vast wel boeken en namenlijsten bedenken we en
opeens bevinden we ons in een achterzaaltje van het oude kerkje omringd
door stapels stoffige oude boeken. De archieven zijn moeilijk te lezen,
wanhopig zoek ik tussen het door vocht aangetast papier, de randen geel
verkleurd, brokkelen af in stoffige stukjes niks. Opeens zie ik haar naam
Olmen en een overlijdensdatum. Ik staar verbijsterd naar de geschreven
regel. Er is daadwerkelijk iemand met die naam begraven op dit kerkhof; het
was in 1924. Er staat een nummer achter de naam en we dwalen weer over het
kerkhof op zoek naar het graf. Opeens is daar die engel boven op een
marmeren graf. Een raadselachtig opschrift staat in de steen gebeiteld.
Leven een vraag, dood een raadsel. En er staan verse rode rozen op het graf
van Nolen Olmen.
Ik
voel me tot in mijn ziel gespleten als ik bij mijn graf sta.
Ik
wordt vervuld met een hebberige drang te weten, hoe en waar en waarom. Dan
zijn we op weg naar het stadhuis. Schimmige figuren doen alsof ze ons niet
begrijpen. We moeten morgen maar terugkomen en we worden overal
onvriendelijk weggestuurd. Als we naar buiten lopen komt een jongeman naar
ons toe. Hij vertelt dat de politie ook een bestand heeft van
buitenlanders, daar weten ze wel meer. Hij kent iemand die daar werkt en
hij biedt vriendelijk aan om haar te bellen dat we eraan komen. Hij legt
uit hoe we moeten lopen maar we dwalen toch heel lang door de grauwe stad.
Dan staat ze opeens naast ons de vriendelijke jongedame en ze loodst ons
mee naar een hypermoderne Appel computer. Ze tikt de naam Nolen Olmen in en
de geboortedatum en met een vriendelijke ping ploffen de gegevens op het
scherm. Na het commando print staar ik dolgelukkig naar het A4tje met de
felbegeerde adresgegevens.
Een
terrasje in de zon en we buigen ons over de gegevens. Een verblijfadres,
datum van aankomst en de reden die ze heeft opgegeven voor haar verblijf in
Espinosa. Jammer dat er geen routebeschrijving bij staat, maar opeens loopt
de gemeenteambtenaar met aan zijn arm de politiedame langs ons terras.
Sandra lacht op haar liefst naar de man en ondanks de mooie jonge vrouw aan
zijn arm blijkt hij daar toch wel erg gevoelig voor. Sandra vraagt hem of
hij uit kan leggen waar het adres is. Hij tekent omstandig een routekaartje
en legt uit dat het een boerderij is die zich een heel eind buiten de stad
bevindt in een volgend dal.
Opgewonden
gaan we op weg; we hebben opeens een auto tot onze beschikking en rijden
over een smal weggetje de berg op. De hoge kale bergtoppen achter ons
voelen heel vertrouwd. Als een beschermend cordon wachters staan ze op een
rij. Na de bergpas en de bocht
naar rechts het dal in springen de tranen in mijn ogen. Dit is de plek waar
ik in meditatie ben als ik antwoorden zoek. De droom verandert. Ik ken deze
plek. Een klein huis in een vruchtbaar, vredig, sappig dal. Naarmate we de
berg afdalen wordt het huis duidelijker zichtbaar; vierkant, grauwgrijs van
kleur en een dak van oude vaal oranje dakpannen. We stappen uit de auto en
zien dan pas dat er een rare vleugel aan het huis is gebouwd.
De
deur gaat open en de oude tandeloze vrouw lacht scheef in de deuropening.
Ze kijkt vijandig. Sandra met haar charmante Spaanse voorkomen
verontschuldigt zich voor de storing en begint uit te leggen wat we komen
doen. Tenminste ze doet het verhaal dat we ook voor de autoriteiten in
petto hadden. Haar oma, mijn moeder heeft deze plaats bezocht en zij heeft
daar heel dierbare herinneringen aan. Ze heeft op die reis een dame ontmoet
die Nolen Olmen heet en ze wil graag weten hoe het haar is vergaan. De
vrouw doet stuurs en gesloten maar lijkt te twijfelen. We overleggen met
elkaar of we ook naar Maria Elena zullen vragen. Blijkbaar heeft ze iets
begrepen van onze conversatie want ze kijkt wat vriendelijker als Sandra
mijn verzoek vertaalt. Dan ontmoet ik haar blik en onze ogen raken
vastgeklonken in een starende verte. Ik begin over mijn vorige leven als
Ludwina von Klingen en mijn vlucht naar Espinosa. Ik vertel iets over mijn
verborgen leven onder de naam van mijn Finse vriendin Nolen. Ik maak haar
duidelijk hoe onbegrijpelijk dit verhaal is voor mij en hoe ik worstel met
vragen over het hoe en waarom. De vrouw knikt en laat ons binnen.
We
stappen haar ruime keuken in met het grote fornuis waarin een houtvuur
brandt. In het midden staat een grote ebbenhouten tafel, de tand des tijds
nog maar net voor. Ze schenkt zelfgemaakte cider waarbij ze de fles heel
hoog houdt en de cider bruisend het glas vult. Ze gebaart ons om te gaan
zitten aan de keukentafel. Met onze handen om de grote glazen voelt het
alsof we een toverdrankje voorgeschoteld krijgen. We zitten op de houten
banken en nemen een slokje. De smaak van deze heerlijke cider voel ik nog
prikkelen op mijn tong. We drinken genietend en vertellen de oude dame dat
we haar cider erg lekker vinden. Ze knikt alsof ze zeggen wil natuurlijk
dit is de beste cider die je kunt krijgen en ze observeert ons.
Sandra
vraagt of ze hier allang woont en of ze de vorige bewoners heeft gekend. Ze
lacht vaag en geeft nietszeggende antwoorden. Het is een hele tijd stil
terwijl ze peinzend uit het raam staart. Wij voelen haar spanning en
wachten stilletjes af. Opeens lijkt ze een besluit te nemen. Met een ruk
draait ze zich om en kijkt me aan met een felle, scherpe blik. In het Duits
zegt ze: “Ludwina heeft hier gewoond; zij heeft de zijvleugel aan het
huis laten bouwen”. Ze loopt de keuken uit en we kijken elkaar
stomverbaasd aan. Ik wenk Sandra en we lopen achter de vrouw aan. Door een
donkere koele gang lopen we naar een zware zwarthouten deur die toegang
geeft tot de zijvleugel. Met een van de sleutels, van haar sleutelbos die
aan haar rokband is bevestigd, opent ze de deur. De vrouw gebaart ons dat
we naar binnen moeten gaan en blijft zelf in de deuropening staan. “Er
is hier niets veranderd sinds ze overleed”, zegt ze tot onze
verbazing.
Ik
kijk om me heen en zie een grote zitkamer met banken bekleed met verschoten
groen velours. Diverse schemerlampen met perkamenten kappen staan op kleine
tafeltjes opgesteld alsof de bewoonster gesteld was op een goede
belichting. Een prachtige kroonluchter schittert aan het plafond en in de
boekenkasten met glazen deuren staan oude boeken met leren banden. Op een
klein tafeltje voor het raam slaat een opgezette valk zijn vleugels uit in
een laatste poging te ontsnappen aan zijn lot. Aan de linkermuur zie ik
glazen vitrines met exotische vlinders en enorme kevers. Daar hangt een
schilderij van een jonge joods uitziende vrouw met opgestoken haar, gekleed
in een witte hooggesloten jurk. Ze staat in een ongedwongen pose met in
haar hand een witte parasol. De uitdrukking op haar gezicht is open en
ietwat ontdeugend; er vonkt vooral liefde uit haar blik. Ik kom dichterbij
en gewoontegetrouw kijk ik naar de signatuur van het schilderij. Ik ontcijfer het jaartal 1885 en de signatuur
CLvK. Verschrikt deins ik terug en denk ben ik dit?
Ik
zie een deur naar een aangrenzend vertrek op een kier staan en mijn
nieuwsgierige aard wordt er naar toe getrokken. Ik kijk vragend om naar de
dame die nog steeds in de deuropening staat. Ze knikt en ik duw de deur
verder open. Het is een slaapkamer met een enorm hemelbed omringd door
zware fluwelen gordijnen. De kleur diep koningsblauw is verschoten tot een
vaal flets grijs. Aan de muur tegenover de deur hangt een enorme spiegel,
meer geschikt voor een paleis, waardoor de kamer heel groot lijkt. Ik loop
de kamer in en zie aan de muur links tegenover het bed, het portret van een
vrouw. De ogen trekken meteen mijn aandacht. De melancholieke blik in de
raadselachtige grijsblauwe poelen is indringend. Opvallend is de
wilskrachtige kin en de rechte neus. Dit is Nolen weet ik diep van binnen.
Onder
dit portret staat een zwart ebbenhouten tafeltje met een zevenarmige gouden
kandelaar te contrasteren met een klein ruwhouten doosje. Mijn hart klopt
in mijn keel en de verbijstering verdoofd mijn verstand. Ik pak het doosje
gedachteloos op. Mijn handen maken vier automatische bewegingen waarop het
doosje openspringt en een vrolijke melodie begint te spelen. De tranen springen
in mijn ogen als ik de melodie hoor en aan mijn bedrukte borst ontsnapt een
huivering. Ik hoor een kreet en in de spiegel zie ik de oude vrouw in de
deuropening staan, ze maakt een kruisteken. Dan slaat ze haar hand voor
mond en diep ontroerd zegt ze: “Sie sind es wirklich”. Ze slaat
haar armen om me heen en drukt me stevig aan haar boezem. Met een trillend
stemmetje neuriet ze het melodietje van de speeldoos mee. Tot het deuntje
abrupt stopt en ze zacht vertelt: “Ik heb dit liedje niet meer
gehoord sinds Ludwina is overleden. Ze liet het me altijd horen als ik bij
haar op bezoek was; ik was vaak bij haar want ze leerde me Duits. Ik wist
niet meer hoe het doosje open moest, ik heb het zo vaak geprobeerd. Ludwina
leerde me de woorden, het is een Fins kinderliedje”.
|